“Doctoraat Bio-Ingenieurswetenschappen?
Probeer eens een beschutte werkplaats.”

April 17th, 2017

Onlangs sprak een dove vriendin mij aan over haar ervaring met de VDAB. Sinds 2016 is zij doctor in de Bio-Ingenieurswetenschappen (KU Leuven). Voor haar doctoraat deed ze fundamenteel onderzoek over het glucose- en insulinemetabolisme bij kippen. Ze beheerst vloeiend Engels, Nederlands en Vlaamse Gebarentaal.

Sinds haar doctoraat is ze op zoek naar werk in haar discipline, zowel in de academische sector als de bedrijfswereld. Ze kreeg al af en toe een uitnodiging om op gesprek te komen, en ze hoopt op relatief korte termijn aan werk te geraken.

De overheid zet tegenwoordig heel erg in op arbeidsbemiddeling, in de hoop op deze manier mensen sneller aan een job te kunnen helpen. Daarom nodigde de VDAB haar uit op een gesprek. De uitnodiging vermeldde dat de “VDAB (..) je graag (helpt) met de zoektocht naar een job. Samen met jou gaan we bekijken wat de mogelijkheden zijn”. Het gesprek was nog niet goed begonnen of de bemiddelaar stipte haar doof-zijn al meteen aan, en stelde deze doctor in de Bio-Ingenieurswetenschappen dan maar doodleuk voor om het eens te proberen in een beschutte werkplaats.

Ja. U leest dit goed.

Op zo’n moment kan je als dove persoon nog zo hoog opgeleid zijn als je wil en vol met capaciteiten zitten die smeken om benut te worden door een werkgever die je mogelijkheden ziet, maar als je pech hebt en net tegenover die bewuste bemiddelaar komt te zitten, word je opnieuw gereduceerd tot wat je niét kan. Tot een paar oren die niet werken. Tot zogezegd niet mee kunnen op de reguliere arbeidsmarkt.

Nochtans draaien veel dove mensen wel degelijk heel goed mee op de arbeidsmarkt. In 2016 opende Sordo, een soepbar in centrum Gent uitgebaat door een dove ondernemer. Er zijn zelfstandige dove steenhouwers, grafisch vormgevers, schrijnwerkers, schoonheidsspecialistes, keukenfabrikanten, bakkers, webmasters, tolken en vertalers, acteurs, fotografen, kunstenaars, kappers, chauffeurs, boekhouders en ondernemers. Tal van bedrijven en instellingen nemen met succes dove werknemers aan: leerkrachten, maatschappelijk werkers, schilders, verplegers, apothekers, en software ontwikkelaars. Daarnaast zijn er dove antropologen, taalkundigen, en andere wetenschappers.

Toch blijft er een belangrijke rol weggelegd voor diensten zoals de VDAB, omdat het zoeken naar werk voor dove mensen vaak niet vlot verloopt. Potentiële werkgevers worden nog vaak afgeschrikt door het idee een dove werknemer te hebben, en zien enkel wat die persoon niet kan. Recent nog kwam Unia tussen  toen een dove man uitgesloten werd van selectieproeven voor een job omdat de werkpost zogezegd ongeschikt was voor hem. De Federatie van Vlaamse Doven Organisaties (Fevlado) liet recent nog weten dat meer dan vier op de tien dove werknemers al het slachtoffer werd van discriminatie op grond van hun doof-zijn. Bovendien zijn dove werkzoekenden bij geval van discriminatie eerder niet geneigd een klacht neer te leggen, uit angst voor de gevolgen, uit onwetendheid over hun rechten en de vaak omslachtige procedure. De respondenten in de bevraging van Fevlado  gaven ook aan niet tevreden te zijn over de Vlaamse dienstverlening, omdat er bij die diensten een groot gebrek aan expertise is over dove werknemers en werkzoekenden.

Tijdens de meest recente WereldDovenDag in 2016 stond het thema “doven en werk” in de kijker, en toonde het dove filmcollectief Visual Box een ludiek bedoeld filmpje over de zogezegde VDEAFB , een imaginaire Vlaamse arbeidsbemiddelingsdienst voor doven. Het filmpje is ludiek van opzet, maar het voorval met de doctor in de Bio-Ingenieurswetenschappen toont nog maar eens dat deze satire er niet zonder reden is.

Het wordt tijd, ook voor de VDAB, om dove mensen te benaderen zoals ze zijn: doodnormale mensen met evenveel of zelfs meer en andere capaciteiten, en met toevallig ook een paar oren die niet functioneren volgens de maatschappelijke norm.

(Naam en adres van onze doctor te verkrijgen via het contactadres op deze blog.)

 

Tolkuren leefsituatie zonder maximum

April 5th, 2017

Antwerpen, 5 april 2017

Aan: Bijzondere Bijstandscommissie VAPH
Zenithgebouw
Koning Albert II-laan 37
1210 Brussel

Betreft: tolkuren leefsituatie VAPH

Beste,

Als dove persoon heb ik recht op 18 (mits motivatie 36) tolkuren voor de leefsituatie per jaar betaald door het VAPH.

Het is nu begin april, en mijn 18 uren zijn op. Ik heb nog een extra 18 uren aangevraagd maar verwacht dat deze tegen de zomervakantie ook opgebruikt zijn (als het niet al veel vroeger is). Dat wil zeggen dat ik voor de resterende maanden van 2017 geen tolkuren meer heb.

Ik heb die nochtans nodig, want ik gebruik ze voor allerhande zaken:

  • medische situaties (dokters- en ziekenhuisafspraken voor zowel mijzelf als mijn kinderen)
  • afspraken met kinderopvang en school van mijn kinderen
  • contacten ivm aankoop van bepaalde dingen
  • bijwonen van lezingen, vormingen, … in mijn vrije tijd
  • bepaalde activiteiten met mijn kinderen
  • en vooral allerlei sociale aangelegenheden zoals trouwfeesten, recepties, straatfeesten, familiefeesten, begrafenissen etc.

U begrijpt hopelijk dat voor al deze situaties 36 tolkuren per jaar niet zal voldoen. En dat is dan nog in de veronderstelling dat er niets onverwachts gebeurt zoals bvb. gezondheidsproblemen van mijzelf of iemand in mijn gezin. Ik vind het ook een aantasting van mijn persoonlijke vrijheid dat bepaalde situaties in mijn privé-sfeer ontoegankelijk zullen zijn.

België ratificeerde de VN Conventie voor de Rechten van Personen met een Handicap. Op basis hiervan zou men kunnen verwachten dat openbare diensten gesubsidieerd door de overheid, ziekenhuizen, scholen en dergelijke zelf voorzien in toegankelijkheid voor dove Vlaamse gebarentaligen. Helaas gebeurt dit nog maar zeer zelden en is het hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de dove persoon zelf om in toegankelijkheid te voorzien.

Wanneer mijn tolkuren weldra op zullen zijn zal ik geconfronteerd worden met problemen. Ik ben niet bereid mijn gezondheid of die van mijn gezin daarvoor te hypothekeren doordat ik bvb. een gesprek met een arts niet kan begrijpen.

Ik vraag dan ook aan de Bijzondere Bijstandscommissie met aandrang een afwijking op deze algemeen geldende regel van maximum 36 tolkuren voor de leefsituatie per jaar. Graag ontvang ik voor 2017 nog extra tolkuren, zonder maximumgrens.

Alvast bedankt om mijn vraag in overweging te nemen.

Met vriendelijke groet

Maartje De Meulder

CC CAB

Update: de Bende van Annemie

January 30th, 2017

Een korte update naar aanleiding van de vorige blog post (samen met Annelies) over het interview met Claire Tollenaere in De Bende van Annemie.

  • De blog post werd breed gedeeld op sociale media. Natuurlijk is het tof dat onze vrienden op Facebook de post een like gaven en zelf verder deelden, maar daar zijn we natuurlijk niet veel mee.
  • De blog post werd dus ook rechtstreeks bezorgd aan Claire Tollenaere en Sint-Lievenspoort, haar werkgever (geen reactie) en Annemie Peeters (geen reactie). De Thuisbegeleidingsdienst van Sint-Lievenspoort deelde zelfs doodleuk het bericht over het interview op Facebook zonder enige context. Via een vriendin van een vriendin werd de blog ook gestuurd naar de producers van De Bende van Annemie. Geen reactie.
  • Ik, en heel wat anderen, stuurden een mail naar de klachtencoördinator van de VRT, over de stigmatiserende uitspraken van mevrouw Tollenaere over dove mensen, over de stereotyperende houding van Annemie Peeters en over het feit dat de uitzending niet toegankelijk was voor de mensen over wie het ging. We kregen allemaal hetzelfde nietszeggende antwoord. Eén van de paragrafen uit de mail:

Indien de slagzin ‘Nothing about us without us’ elke dag toegepast zou worden, dan hadden ze deze week niét de directeur van de AB moeten uitnodigen over de kwestie: ‘komen vrouwelijke muzikanten te weinig aan bod?’. Alsook Hans van Crombrugge niet over narcisten, dan maar met een narcist zelf en die kan je niet de nodige vragen stellen om een overzichtelijk beeld te krijgen.

Ja u leest dit goed. Binnenkort gaan ze nog de mening van vrouwen moeten vragen over het feminisme! Op de vraag waarom de uitzending niet toegankelijk gemaakt werd voor dove mensen via tolk of script kreeg ik geen antwoord. Ik mailde dus terug en wacht op reactie.

  • Omdat ik niet akkoord was de mail van de klachtencoördinator gaf ik dit door aan de Vlaamse Ombudsdienst. Van hen kreeg ik snel antwoord dat ze in principe geen klachten behandelen over journalistieke inhoud maar dat ik wel klacht kan indienen bij De Raad voor de Journalistiek, en dat deze klacht hun ontvankelijkheidstoets zou doorstaan. Maar zelfs dan nog zal dat onderzoek zich enkel beperken tot de journalistieke praktijk van mevrouw Peeters. De Ombudsdienst kan wel tussenkomen over de ontoegankelijkheid van de uitzending. Ik geef de VRT nog tot woensdag om te antwoorden.
  • Ondertussen staat die vreselijke zin nog steeds op de website van De Bende van Annemie, onder het thema “doofheid” (je vindt daar trouwens maar één item): “Eens doven uit hun gemeenschap treden, merken ze dat gebarentaal niet zaligmakend is.” Het doet pijn elke keer als ik hem zie.

“In a hole in the ground there lived … Claire”

January 20th, 2017

Maartje De Meulder en Annelies Kusters

Met deze blog wensen Annelies en Maartje, twee dove hobbits, uit hun “veilige dovengemeenschap” te treden naar aanleiding van het interview met Claire Tollenaere, vandaag in De Bende van Annemie op radio 1. De transcriptie van het interview is hier te vinden, met dank aan Katrien Van Mulders.

Deze week kwam Helga Stevens geregeld in het nieuws omdat ze kandidaat-voorzitter was voor het Europees Parlement. Helga is naast Europees Parlementslid ook advocate, moeder van twee kinderen, ex-Vlaams Parlementslid, kortom een intelligente, succesvolle, dove vrouw die zeer veel glazen plafonds heeft doorbroken: eerste dove rechtenstudente in België, eerste dove advocate in België enzovoort.

Helga kent naast verschillende gesproken talen ook verschillende gebarentalen (of, zoals Claire het graag uitdrukt: ze “praat in gebaren”), en werkt in het Europees Parlement oa. met tolken VGT en ASL. Deze week nog vertelde ze in De Tijd dat haar gebruik van tolken in het Europees Parlement helemaal niet zo uitzonderlijk is – door de vele officiële werktalen daar hebben nagenoeg alle parlementsleden tolken nodig om elkaar te begrijpen.

Maar journaliste Annemie Peeters was niet op zoek naar dit soort interessante feiten die tonen hoe dove mensen succesvolle carrières hebben en hoe zij met horende professionals samenwerken. Nee, ze was vanuit haar bekrompen visie wel eens benieuwd waarom een dove persoon zoals Helga geen cochleair implantaat (CI) zou willen om te horen. Immers, als Helga een CI had gehad en verkeerslawaai kon horen was ze vast wel Europees voorzitter geworden!

Om die uiterst belangrijke vraag te kunnen beantwoorden, nodigde ze iemand uit die zelf niet doof is noch een CI heeft. Nee, voor de gemakkelijkheid vroeg ze Claire Tollenaere, logopediste in het revalidatiecentrum (de naam zegt genoeg) van Sint-Lievenspoort. Claire, dé expert voor al uw vragen over doof-zijn en het alledaagse leven van dove mensen. Vraag het vooral niet aan mensen die niet weten wat het is om verkeerslawaai en muziek te moeten missen!

We hebben uit onze veilige cocon moeten reiken naar iemand die het interview kon uitschrijven want ja, wij hebben nu eenmaal geen CI (meer). Wat Claire ons wist te vertellen was dat leren luisteren en geluid plaatsen voor veel mensen die doof geboren zijn, erg vermoeiend is, en dat daarom doofgeboren mensen zich verenigen in dovengemeenschappen, “hechte en veilige gemeenschappen” met een eigen taal, cultuur en identiteit. Een “eigen wereld” waar ze “wel een beetje fier op” zijn. Dove mensen gaan dus nooit naar de winkel, spreken niet tegen hun familie, maken nooit ruzie, en wonen allemaal samen gezellig en vreedzaam in een hol onder de grond. Veilig en hecht. En fier. Een beetje wel ja.

Maar, wist Claire daarna te zeggen, eens we “buitentreden” uit die gemeenschap, “die veilige dovengemeenschap”, merken we wel “dat gebarentaal niet zaligmakend is”, en we toch steeds een tolk nodig hebben en beroep moeten doen op een derde persoon. Immers, in het hol is er geen verkeerslawaai, leren we niet schrijven, zijn er geen scholen, en leren we zeker niet hoe te communiceren met niet-holbewoners. We leren alleen om een beetje fier te zijn.

Met een CI daarentegen zijn we klaar om de wereld buiten het hol te confronteren. Het CI is een soort wondermiddel: eender wat er binnenkomt in het ding, komt direct in ons hoofd binnen, glashelder en ondubbelzinnig, en het klinkt gelijk muziek in de oren. Communiceren gaat moeiteloos, en we kunnen automatisch alle talen verstaan, ja zelfs Engels en Frans. Iedereen zou het moeten doen! Zelfs verkeerslawaai klinkt prachtig, want immers, het is geluid! Het grootste goed dat er bestaat! Het is zaligmakend! (Even voor de duidelijkheid, voor onwetende lezers. Er ZIJN dove mensen die blij zijn met hun CI en het altijd of soms dragen, en er zijn ook dove mensen die er niet zoveel mee zijn of het geluid ervan haten en het zelfs stoppen te gebruiken, zoals één van de auteurs van dit artikel. Er zijn ook dove mensen die hun CI even af zetten als ze buitenkomen, omdat ze ineenkrimpen van het verkeerslawaai.)

Jullie hebben wellicht genoten van jullie 12 minuten faam op de Vlaamse radio, maar als je even tijd hebt, Claire en Annemie, dan stellen we voor dat jullie eens een paar dagen met ons meelopen zodat u ons in het wild kan observeren. Dan ziet u hoe wij *niet* functioneren zonder tolk, hoe wij geen jobs kunnen hebben aan de universiteit en geen boeken kunnen schrijven, hoe dove mensen geen soepbar kunnen runnen zonder tolk, hoe ze niet kunnen werken als tolk op Ketnet, hoe ze hun kinderen niet naar school kunnen brengen en geen verhaaltjes kunnen vertellen zonder tolk, hoe ze geen cappuccino kunnen bestellen in hun favoriete koffiebar. Het punt is, dus: op verschillende momenten en in verschillende situaties hanteren wij verschillende communicatiestrategieën, mét en zonder tolk. Claire, in uw eigen instelling, Sint-Lievenspoort, werken dove mensen als leerkracht. Hebt u al eens met hen gepraat? Annemie, als u met ons meeloopt dan wil heel misschien onze veilige, hechte gemeenschap zich wel openstellen om u bij te brengen wat het betekent om verkeerslawaai te missen.

En Annemie, is het in je opgekomen om eens te vragen aan dove mensen zélf waarom sommigen van hen wel een CI dragen en anderen niet? Waarom sommigen niet “gerepareerd” willen worden? Wie denkt u dat het meeste inzicht heeft in deze onderlinge diversiteit? Claire, de logopedist die vooral (en naar eigen zeggen) in aanraking komt met mensen die wèl een CI hebben of willen? Of mensen die zelf doof zijn én zelf veel in contact komen met andere doven met verschillende achtergronden, die verschillende levenskeuzes hebben gemaakt? Er is veel diversiteit in het hol. Zeer veel. Dè expert inzake deze zaken is Fevlado, de Vlaamse dovenfederatie en de spreekbuis van de Vlaamse dovengemeenschap. Blijkbaar was het niet nodig hen te contacteren. Of u zou een dove expert kunnen vragen in Deaf Studies (zoals ons, bijvoorbeeld). Ja, er zijn zelfs onderzoekers in het hol. Wetenschappelijk onderzoekers!

Weet u wat wij missen, en dan wél elke dag? Niet verkeerslawaai, maar mensen die verder kijken dan hun neus lang is. Ge moest u schamen, Claire en Annemie. Ons hol werd vandaag weer een beetje kleiner.

Over de geneugten van kraamkost

November 15th, 2016

img_8425Op 12 september werd ons tweede dochtertje Merel geboren. Kleedjes en andere spullen hebben we ondertussen meer dan genoeg, dus hadden we op haar geboortekaartje bij kadootips “kraamkost” gezet. Ik kende het concept van deze blog, en was er meteen voor gewonnen. Bij de geboorte van ons eerste kindje was dat ook iets dat er regelmatig bij inschoot: gezond en vers koken.

Niet iedereen had onmiddellijk door wat het betekende. Er waren mensen die dachten dat het inhield dat als ze op babybezoek kwamen, er eten zou voorzien worden. Anderen vroegen waar je dat kan kopen, kraamkost. Maar van zogauw we uitlegden wat het betekende waren mensen meteen gewonnen voor het idee, en er erg enthousiast over.

Soep, veel soep, gebak, ovenschotels, chocolade, pastasaus, stoofvlees met appelmoes, granola, hapjes, lasagne, zelfs driegangen-maaltijden, we kregen het allemaal. Sommigen kwamen rap iets afzetten terwijl ze dubbel geparkeerd stonden in onze straat, anderen bleven voor een bezoek, nog anderen maakten genoeg en aten zelf mee, weer anderen brachten voorverpakte zakjes voor in de diepvries.

Zelfs nu Merel twee maanden mensen is, blijven vrienden en familie kraamkost brengen. Weliswaar minder frequent dan in het begin, maar toch. En het leuke is: niet alleen wij vinden het fantastisch, maar ook de schenkers hebben er plezier van. Je ziet hoe blij en fier mensen zijn dat ze met iets zelfgemaakt voor de deur staan, iets waarvan ze zeker weten dat wij er ook echt van gaan genieten.

Bedankt dan ook aan iedereen die langskwam met eten, we hebben er veel plezier van gehad! (En die potjes en ovenschotels krijgt ge uiteraard nog terug.)

“Een voorstelling meepikken”

October 28th, 2016

Er is een uitdrukking het Nederlands waarvan ik de betekenis ken in de abstractie, maar niet in de praktijk: “een voorstelling meepikken”. Het is iets dat ik aanvoel als een gemis, zomaar naar bijvoorbeeld een toneelvoorstelling kunnen gaan zonder mij eerst in honderd bochten te moeten wringen om toegankelijkheid georganiseerd te krijgen. Ik word meestal al moe als ik er gewoon aan denk, en begin er dan maar niet aan. Hetzelfde voor lezingen. Vaak zijn er schrijvers, wetenschappers, activisten of anderen waarvan ik hun lezing graag wil volgen. Het steekt dan als horende vrienden zeggen “oh ik ga morgen even naar Brussel lezing van X, Y of Z bijwonen”. Iets dat ze ertussen plannen. Het is zo dat familie of vrienden mij eigenlijk automatisch niet meevragen als ze tickets boeken voor een voorstelling (toneel, one-man show, lezing, andere voorstelling) vanuit de veronderstelling dat het voor mij toch niet toegankelijk is – wat helaas ook bijna steeds zo is.

Zo is er nu deze voorstelling van Bart Peeters die ik graag zou zien. Sommige mensen die dit lezen denken wellicht “neem dan een tolk VGT mee”. Maar dit soort voorstellingen leent zich niet echt tot vertaling in VGT. Er komt veel spelen met taal en woorden bij kijken, en dat apprecieer ik het liefst in de brontaal, het Nederlands dus, niet in VGT. Bovendien vraagt het tolken van zulk een voorstelling georganiseer, en tolken moeten kunnen voorbereiden, anders heb ik er niks aan. Ook de artiest in kwestie moet akkoord zijn dat er iemand naast hem/haar op het podium de show steelt – iets waar iemand als Bart Peeters in elk geval gelukkig geen probleem mee blijkt te hebben. En dan is er natuurlijk de vraag “wie gaat dat betalen?” Organisatoren zijn niet altijd bereid om dat te doen, of pas na herhaaldelijk aandringen en argumenteren (ik heb geen zin om dat voor élke voorstelling te doen), en ik sta niet te springen om de ocharme 36 tolkuren voor de privé-situatie die het VAPH mij jaarlijks gunt (en waarvoor ik dan ook nog eens een motivatie moet geven!), daaraan te spenderen.

Steeds meer concertzalen en andere locaties hebben tegenwoordig een ringleiding waar je een hoorapparaat op kan aansluiten. Maar dat wordt vaker gebruikt door slechthorende mensen, en bovendien draag ik geen hoorapparaten.

Dan blijft over: boventiteling (er worden, ook in het Engels, verschillende termen voor gebruikt, maar ik gebruik hier voor de gemakkelijkheid deze). Je ziet dit soms bij operavoorstellingen in een andere taal dan het Nederlands, waarbij de vertaalde tekst boven het podium op een scherm verschijnt. Het verschil met boventiteling bij opera’s is dat bij de boventiteling voor doven en slechthorenden het niet om een vertaling gaat (tenzij de voorstelling in een andere taal is natuurlijk) maar gewoon om een weergave van de tekst (boven het podium of op andere manieren zoals een tablet), en dat ook bijkomende info gegeven wordt zoals wie er aan het woord is, geluidseffecten etc. Een beetje zoals (goede) 888-ondertiteling op televisie dus.

Ik mailde dus naar de Roma, waar Bart Peeters optreedt, met de vraag of boventiteling voorzien kon worden tijdens de voorstelling. Hun antwoord:

De Roma is niet uitgerust voor boventiteling en Bart Peeters tourt ook niet met zo’n systeem.
We hebben wel een ringleiding, indien dit zou helpen.
Hiervoor hebben we wel graag een seintje, zodat we deze kunnen activeren.

Niet dus. Ik zag dit ook nooit eerder bij een andere voorstelling. Op dit vlak toont België zich echt weer eens van zijn onderontwikkelde kant. In het Verenigd Koninkrijk heb je bedrijven als Stagetext die honderden voorstellingen per jaar boventitelen. Niet alleen live voorstellingen zoals theatervoorstellingen, maar ook films, literaire festivals, rondleidingen in musea etc. Daar is het voor dove en slechthorende mensen veel vanzelfsprekender om deel te nemen aan het culturele leven.

Want ja, ik zou toch eindelijk ook graag de betekenis van “een voorstelling meepikken” in de praktijk kunnen ervaren. Is er dan echt niemand mee bezig hier? Is de markt te klein? Is er te weinig vraag naar? Of vraagt niemand het omdat er geen aanbod is? Ik ken geen bedrijven zoals Stagetext in België, maar misschien zijn ze er wel of zijn er bedrijven geïnteresseerd om dit op te starten? Iemand?

How dare you go out without an interpreter!! Acknowledging alternative and equal ways of communication

April 7th, 2016

Maartje De Meulder and Annelies Kusters

First this: we both have extensive experience with using sign language interpreters and we are very much in favour of using them in specific situations. We see interpreters as central to our professional and personal lives: we use them to participate in meetings, conferences, seminars, to conduct interviews and for parent-teacher meetings at our children’s schools, for social activities, for medical health appointments and for making phone calls (VRS service), to name just a few situations. That a deaf person does bring an interpreter but this is not recognised, or is denied the right to an interpreter, is happening much too often and is important to address. In this blog post though, we address the very opposite situation, namely being denied services when very consciously not bringing an interpreter, which we experience as equally humiliating.

Indeed, sometimes we prefer not to use an interpreter. That does not mean that instead we prefer to speak and lipread. All our lives we have experienced that generally this is not conducive to good and effective communication, especially with strangers. However, in those situations when we are not accompanied by an interpreter, we often get the following responses.

The first one is, yes indeed: “can you lip read?”, to which we reply “no, please write”.  In fact, we are able to lip read some people, but it does not guarantee that we get full information, and people do not realize how little information is gained through lipreading especially when it is not combined with gestures, sign language or writing. People also tend to be misled by our speaking skills, assuming that having (good) speaking skills equals understanding speech. Because we are multilingual people competent in several written and signed languages, we feel that writing notes back and forth is an equally good and effective way to communicate in some situations. It makes us feel more independent, it puts us on an equal footing with the other person, and, let us be honest, it saves us the time and efforts of looking for and booking an interpreter which, as we all know, can be arduous sometimes. Furthermore, when writing, we do not miss the crucial information we unavoidably miss when lipreading.

That is, if people are prepared to collaborate. Because when we ask to write notes, the next response is often a dumbfounded expression and general reluctance. Writing notes?? People behave as if they do not know how to use pen and paper or type on a computer, even when that is in fact a central feature of their jobs.  They say it’s time consuming, not effective, difficult. And they often write too much: full sentences instead of a few words which are often enough. This of course makes it very inconvenient, especially in situations where there is a queue waiting right behind you.

The next response: bring an interpreter. Below, we describe three situations where this has happened, and which triggered this blog post.

Situation 1: Public service counter.

Maartje recently went to wait in line at a public service to request information. The service was open 8.30 to 12.30 and did not work with appointments, so you just had to queue until a staff member was ready to talk to you. Maartje went well-prepared: she had pen and notes ready, and a printed copy of earlier e-mail conversations with that service. First question when she made clear she was deaf by pointing at her ears and shaking her head: “can you lipread?” “No sir, please write with me.” The official shuffled through the papers, clearly unsure about what he needed to do next. So Maartje started writing down again, in Dutch (this situation took place in Flanders, Belgium) why she was here, and what kind of information she needed. Next question: “Do you have an interpreter? That would be much easier to explain everything. Please come back with an interpreter.” When asked if in that case it would be possible to make an appointment, since an interpreter is not someone Maartje can nor does want to have at her side the whole day: “No we don’t work with appointments, please just bring the interpreter.” Basically, the conversation was over then. Maartje asked if there were any more papers she needed to bring the next time, and with an indulgent smile of “here we go again, I will do my last effort”, the official wrote down what she needed to bring. And that was that. Well, he said, “I’m sorry”, as if he couldn’t help it and really didn’t know what else to do.

Situation 2: Gynaecologist.

When Annelies, a Flemish deaf woman with Dutch as her first language, was pregnant with her second son, she was laying on the doctor’s chair, with her legs open, for an internal sonography. The doctor wrote “genetics” on a piece of paper. Annelies was instantly worried: did the child have a genetic illness? She requested more information but the doctor refused to write more, and Annelies felt utterly helpless and discriminated. When sitting with the doctor in her office afterwards, the doctor told her to return with an interpreter. Annelies asked for more information on the genetics issue: what was it exactly? But the doctor refused to give more information. Since this situation happened in Germany, and Annelies does not know German Sign Language, she prefers not to bring interpreters to doctors, but to communicate in written German and English instead. The doctor refused. She went back with a bilingual (German-English) colleague later, who wrote instead. The doctor told her that since she and her husband Sujit are deaf, they should have a genetics test to see if the child is deaf or not. The doctor was very insistent upon this test, saying that it was of utmost importance for the child’s health (!). Annelies and Sujit objected. It was a doubly discriminating situation: the doctor forced them to have this test and refused to communicate directly with them. This is not an isolated incident. On multiple occasions, doctors in Germany have told Annelies that they would not see her if she came without an interpreter. She then found herself in the absurd situation of having to ask colleagues to accompany her (an infringement on her privacy) and write down what the doctor was saying, which was certainly not less time-consuming than when the doctor would have written him/herself (either in German or in English). Often, the doctor said much more than the colleague could reasonably write down, and Annelies experienced this talking over her head as discriminating and infantilizing. It took her several years to identify doctors who were willing and able to write (in English and German).

Situation 3: Town house.

Sujit is an Indian deaf person and Annelies’ husband, and since 2013 they live in Germany with their two sons. Sujit’s residence permit has to be extended regularly and for this, they have to visit the Ausländeramt (foreigner’s office) at the townhouse. Actually, Sujit preferred to go alone and to write in English with the officials (which is not their first language, but neither his), but since many people in Germany are not comfortable writing in English, Annelies accompanied him since she can read German and write basic German. They had prepared all the necessary documents and papers, so their application was perfectly in order. They had an appointment, as had several others. One after the other, the others were called in, but Annelies and Sujit kept waiting, with their second son who was a very small baby then, and very fussy. Suddenly, Annelies got a text message from her boss’ assistant: the official had called her work place (!) to tell them that they could not receive Annelies and Sujit without an interpreter, even though their application was complete and they did not need to have a lengthy conversation, just bring in the documents.

In contrast, Annelies and Sujit have lived in India for three years (and Sujit was raised there). There, in contexts of customer interaction, interactions with officials, and service provision, they communicated via writing (and many people did not have English as their first language), gesturing and signing, even during the delivery of their first baby. Nobody expected them to bring an interpreter, and nobody expected them to speak or lipread. Many people were even illiterate or not literate in English, but in most situations, communication worked out. These ways of communication were performed without question. (These ways of communication are documented in the movie Ishaare, which you can go and watch in Antwerpen on 29 April 2016).

These are just some of the many situations we have encountered in our personal lives, going out on ourselves (how dare we!) without an interpreter. We are receptive, flexible and cooperative women, but we often feel we are punished when we try to make use of our broad range of communication and language skills. If we are denied services when we do not bring an interpreter, we feel that our independence is not respected. This is in stark contrast with our professional and family lives, where we successfully carry out multiple responsibilities; it feels infantilizing and dehumanizing to be sent away if we do not adhere to mainstream communication ways. We do not ask that people try to sign if they do not sign, or gesture if they are utterly uncomfortable doing so. We just have the reasonable expectation that two people literate in a certain language, can and do accept to write in that language and are partners in trying to find alternative ways to communicate (writing, typing, using an online dictionary, which Sujit often does when meeting German-speaking people who do not know English), that are perfectly within people’s capabilities and possibilities.

Doctors, public service officers, and others insisting on bringing an interpreter is not a way to include people in society. In our view, inclusion means trying to cope with diversity (within certain parameters), rather than relaying this responsibility to cope with diversity to a third person (i.e. the interpreter, or a colleague). Do not misunderstand us, it is very important to us to be able to use interpreters, since they enable us to share our work with non-signers for example, and we appreciate and very much respect the fact that other deaf people will have other preferences with regard to the precise contexts in which they wish to use interpreters.

But we feel that in some situations, the scale has tipped, and interpreters in themselves have become tools of discrimination. This, we think, has never been the goal of interpreting services, and has never been the goal of most deaf people either. We do not see interpreters as our extended selves. We want to have the choice and opportunity to not use them in some settings, and we appeal to people to try and be flexible and cooperative in communicative situations. That, and not the forced use of interpreters is, in our view, a feature of an inclusive society.

De illusie van inclusie: de VRT en Vlaamse Gebarentaal

February 23rd, 2016

20160222042145

 

Zo’n week geleden, naar aanleiding van Valentijn, zond Ketnet een filmpje uit van wrapper Sien die uitlegde hoe je in gebarentaal kan vertellen dat je iemand leuk vindt. Het filmpje is ondertussen niet meer online beschikbaar, maar ging zo. Sien: “Vrienden van de romantiek, een Ketnet Swipevol liefde was dat vanmorgen met Leonard. We hebben tips gegeven over hoe je iemand verwent die je graag ziet. Je vindt ook veel knutseltips op ketnet.be. Maar het belangrijkste is dat ik vind dat de liefde geen taal heeft. Nee, liefde moet je vooral tonen. Letterlijk, en dus wil ik jullie leren hoe je in gebarentaal zegt: ‘ik vind jou leuk’”. “IK JOU LEUK” (met bijhorende instructies hoe dit te gebaren). “En dan moet je ook heel hard lachen met je gezicht om de boodschap over te brengen.” Waarop ze overgaat naar het volgende item, “een heel speciale taal”: Braille.

Het filmpje werd op sociale media gepost en meteen kwam er reactie vanuit de dovengemeenschap. Gebarentaligen namen het door Ketnet gemaakte verband tussen “liefde kent geen taal” en gebarentaal op de korrel en de verwarring tussen lichaamstaal en gebarentaal, het gebruik van “tonen” in verband met gebarentaal, alsof het een tekensysteem is, de vertaling “IK JOU LEUK” die grammaticaal niet correct was, en de aanname dat Braille wel een taal zou zijn. Danny De Weerdt vatte in VGT goed samen wat precies de problemen waren met de clip.

Ikzelf, Danny De Weerdt en Fevlado gaven deze opmerkingen formeel door aan Ketnet en aan de cel Diversiteit van de VRT, en vroegen om een rechtzetting. Een greep uit het antwoord van de netmanager van Ketnet:

“Wij verwachten van onze medewerkers en schermgezichten dat ze standaard-Nederlands kennen en gebruiken. Wanneer onze mensen, schermmedewerkers of microfoonmedewerkers die geen professionele tolken zijn, enkele zinnen in een andere taal gebruiken, dan is dat uit goodwill, om inclusie na te streven (VGT) of om een Russisch, Duits, Frans of Engels kleurtje aan te brengen in onze uitzendingen.”

“Dan gebeurt het wel eens dat er een taalfout insluipt. Niet-moedertaalsprekers maken nu eenmaal af en toe een fout in een taal die niet hun moedertaal is. Wij kunnen niet verwachten dat onze gewone medewerkers in dat geval vlekkeloos VGT, Duits of Frans gebruiken. We zullen dus ook niet telkens een rechtzettingsclip maken, we appreciëren juist dat onze collega’s creatief en inclusief te werk gaan.”

Men vond het spijtig “dat wij zo zwaar tillen aan een creatieve poging” omdat het toch maar om een “vluchtig filmpje” ging. Een rechtzetting vond men niet nodig en zelfs “vreemd”.

Hadden wij de missers in het filmpje op zich nog kunnen relativeren met een eerlijk antwoord dat deze fouten toegaf, het antwoord dat we kregen is helaas symptomatisch voor de manier waarop de VRT omgaat met Vlaamse Gebarentaal (VGT): als object van inclusie en “toegankelijkheid”. Merk trouwens op hoe VGT gelinkt wordt aan “inclusie” maar men door het gebruik van Russisch, Duits, Frans of Engels “een kleurtje wil aanbrengen” in uitzendingen. En dat het Journaal hoofdzakelijk getolkt wordt naar VGT door niet-moedertaalgebaarders, “die af en toe een foutje maken”.

Alle middelen zijn geoorloofd als het om “inclusie” gaat, en wat “inclusie” is wordt eenzijdig bepaald door de gevestigde machten (in dit geval de VRT) en niet door de minderheidsgroep (in dit geval de Vlaamse dovengemeenschap). Wanneer er bedenkingen geuit worden op deze aanpak door de minderheidsgroep zelf wordt dat vaak op onbegrip onthaald, want hoe kan je nu tegen inclusie zijn? “Inclusie” wordt in zo’n geval gebruikt als reden om de bedenkingen van de groep op wie de inclusie gericht is, af te doen als “radicaal” of “onrealistisch”. Hetzelfde gebeurt vaak als men het heeft over de “inclusie” van dove kinderen in het regulier onderwijs. “Inclusie” betekent op deze manier eerder “feel good diversity”: “kijk eens hoe inclusief wij bezig zijn”; wat de groep op wie de inclusie gericht is er zelf van denkt, of welk voordeel ze er zelf uit haalt, is minder van belang.

Op dezelfde manier negeert de VRT de vraag van de dovengemeenschap om eigen media in VGT en blijven ze inzetten op louter “toegankelijkheid” van hun programma’s. Inclusie werkt daarbij in één richting: een minderheid krijgt toegang tot de inhoud en het perspectief van de meerderheid. Het Journaal wordt getolkt in de Vlaamse Gebarentaal. Dat is geen inclusieve of interculturele televisie, trouwens belangrijke speerpunten van de VRT. De Vlaamse overheid engageerde zich 10 jaar geleden door de decretale erkenning van de Vlaamse Gebarentaal tot “de bescherming en luister van de taal”. De aanpak van de VRT ligt niet in lijn met dit engagement. Dove gebarentaligen verwachten een ander gebarentaalbeleid van de VRT, dat aandacht heeft voor hun perspectief en hen media aanbiedt, gemaakt door henzelf, direct in VGT (niet via een vertaling). Denk aan een VGT-journaal, een kindermagazine en/of een talkshow in VGT.

Dat is géén “doelgroepentelevisie” of “niche-televisie”, zoals de VRT het graag voorstelt. Wat ze precies bedoelen met “doelgroepentelevisie” is trouwens niet duidelijk. Een programma als Eigen Kweek, dat een specifiek aspect van de Vlaamse cultuur in beeld brengt (in een bepaald dialect dan nog) is blijkbaar geen doelgroepentelevisie, maar een programma in VGT, dat een andere aspect van de Vlaamse cultuur in beeld brengt, is dat wel. Nee, media in VGT is interculturele, inclusieve (!) televisie, die via voice-over of ondertiteling bovendien “toegankelijk” en “inclusief” is voor niet-gebarentaligen. Voorbeelden van good practices in het buitenland zijn er genoeg.

De nieuwe beheersovereenkomst 2016-2019 heeft helaas de illusie van inclusie niet kunnen doorprikken. De aanpak van de voorbije vier jaar werd gewoon bestendigd, en de voorstellen i.v.m. een eigen media gezien als “onwenselijk”. De reactie van Ketnet op het Valentijnsfilmpje van wrapper Sien – hoe goedbedoeld ook – heeft deze illusie helaas alleen maar bevestigd.

Op 26 april 2016 zal het tien jaar geleden zijn dat de Vlaamse overheid de VGT wettelijk erkende als taal van een cultuur-linguïstische minderheidsgroep. Die erkenning is nog ver te zoeken bij de VRT.

British Sign Language (Scotland) Bill passed final hurdle – translation to British Sign Language

October 15th, 2015

(This blog post has appeared in English here.)

British Sign Language (Scotland) Bill passed final hurdle

September 17th, 2015

Today, just a few hours ago, the Scottish Parliament passed the British Sign Language (Scotland) Bill (which will become an Act after receiving Royal Assent).

With the passing of this Bill, Scotland becomes the first region of the UK where British Sign Language (BSL) is given legal status. The often mentioned 2003 “recognition” of BSL by the UK government was actually merely a statement that BSL is a language in its own right (like all languages are, indeed), and in March 2011, the then Scottish minister of public health made a similar statement, accepting BSL as a language in Scotland. But until today, BSL did not have legal status in any part of the UK. The passing of the BSL Bill is thus a milestone for Scotland and for the UK as a whole.

The Bill was introduced in the Scottish Parliament by Member of Scottish Parliament Mark Griffin in October 2014, after two public consultations to gauge support for it and allow different stakeholders access to the decision-making process. In the following months, the Education and Culture Committee of the Parliament scrutinized the Bill, holding three evidence sessions which were live streamed on the Internet, interpreted into BSL and English and provided with captions. During those evidence sessions, BSL signers engaged in direct dialogue with members of the Scottish Parliament. The Parliament not only put in great efforts to make the process accessible for BSL signers, but also to consult with them. In this spirit, they set up a Facebook page in November 2014 to invite BSL signers to share their views on the Bill, in BSL. Hundreds of videos were shared by the group and it has over 2.500 members. In a later stage, proposed amendments were considered (debate again viewable online with BSL and captions) and today, the Bill passed the third and final stage.

Different motivations guided the development of the Bill, the first one being that BSL deserves to be on an equal legal footing with Scotland’s other autochthonous minority languages like Gaelic. Another major motive was the perceived ineffectiveness of existing equality and disability legislation, especially the Equality Act 2010. This legislation was seen as ineffective because it labels deaf people as disabled and tries to fit linguistic issues into legislation that is designed for disability. There also have been problems with the implementation of this legislation and with the very concepts it is based on, eg. reasonable accommodations. Other motives were the deplorable state of deaf education and the absence of educational linguistic rights for deaf children, problematic access to health care and social care for deaf people, and the lack of information for and rights of parents of deaf children. These motives are not unique to Scotland but common motives for sign language recognition legislation (I wrote about this in this upcoming book published by Gallaudet University Press).

The BSL (Scotland) Bill is an example of a “planning-based” model of language planning and language legislation, just like the Gaelic Language (Scotland) Act which was passed in 2005. “Planning-based” means that the BSL  Bill is based on the development of so-called “BSL plans”, which set out what the Scottish Government and the public authorities listed in the Bill, plan to do in relation to the promotion of BSL. It is important to read that right, “plan to do”, not “do”. The Bill only makes provisions for the publication and review of those plans. It does not state what the plans should include, it does not make provisions for implementation of the plans, and it contains no absolute rights for BSL signers.

The Bill itself is very technical and full of legalese. Below, I will try to explain its aim and provisions in an understandable manner (which will still be technical, I’m sorry!). The full text of the Bill as passed is available here.

In short, the British Sign Language (Scotland) Bill aims to promote the use and understanding of British Sign Language principally by means of BSL plans, which are to be published by the Scottish Ministers and specified public authorities. Public authorities (or public bodies) are organisations funded by the Scottish Government but not forming part of it. They have far-reaching functions and play an important role in the delivery of public services in Scotland. Their functions range from health and social care to the arts, culture and the built environment. Examples listed in the Bill are the local councils, local health boards under the National Health Service, further and higher education institutions, but also the Scottish Parliament itself, the Scottish Commission for Human Rights and the Scottish Housing Regulator to name just a few. These plans will be reviewed and updated by the publication of Progress Reports.

The British Sign Language (Scotland) Bill is thus based on three pillars: the National Plan, the Authority Plans, and the Progress Reports.

National Plan

The National Plan sets out the strategy of the Scottish Ministers in relation to the promotion, and facilitation of promotion, of BSL. It also sets out what the Scottish Ministers consider that relevant authorities should or could do to promote, and facilitate the promotion of, the use and understanding of BSL, within their areas of responsibility. The content of the National Plan needs to be publicly available, also in BSL. In preparing the National Plan, the Scottish Ministers need to consult on a draft of the plan, in particular with (a) “persons who use BSL” and (b) “persons who represent users of BSL”. The consultation needs to be accessible for BSL signers, also for those who are deafblind. The first National Plan needs to be published two years after the Act comes into force; subsequent National Plans need to be published at intervals of no more than six years since the publication of the most recent National Plan.

Listed Authorities’ Plans

An Authority Plan sets out measures that a listed authority will take in relation to the use of BSL and sets out timescales for when these measures will be taken. The aim is to achieve consistency between the National Plan and the Authority Plans. The consultation requirement is similar to that for the National Plan. These plans also need to be publicly available, also in BSL. A listed authority’s first Plan is to be published as soon as possible after the publication of the first National Plan (and no later than 12 months after). Subsequent Authority Plans must be published as soon as possibly after (and no later than 6 months after) each subsequent National Plan.

Progress reports

Progress reports set out the Scottish Ministers’ views about the progress made, based on the National Plan and the Authority Plans. The first Progress Report must be published within 3 years after the publication of the first National Plan and subsequently at intervals of no more than 6 years. Progress reports include an account of measures taken and outcomes attained, examples of best practice and, if there are any, of poor performance.

While retaining collective responsibility of ministers, the Scottish Government will assign BSL to Dr. Alasdair Allan, Scottish Minister for Learning, Science and Scotland’s languages, who will have responsibility for updating Parliament on the progress of the National Plan and the public authority action plans.

Another innovative feature of the Bill is that it also recognised the deafblind community’s distinct needs, and the tactile form of BSL. This is a major step forward for deafblind people in Scotland, of whom many attended the debate today.

These are the provisions of the BSL (Scotland) Bill. This blog is not the place to analyse and evaluate the Act’s purpose and provisions; I have made a first attempt in this article which you can read if you want to know more.

Member of Scottish Parliament Liam McArthur during the 2nd evidence session very well summarized the relevance of the Bill:

“The clear message is that the situation is patchy, despite the Equality Act 2010, the Disability Discrimination Act 2005, the human rights framework and the range of services that already exist. The Deaf community is telling us that there is frustration that the patchiness exists despite those legislative levers – which are, let us face it, significantly more substantial than those proposed in the Bill. The Deaf community is saying that the Bill offers an opportunity to identify and symbolise the importance that we attach to BSL. Then, through the levers in the Equality Act 2010 and the human rights framework, we should start to see a more consistent approach to improving access for the deaf and hard of hearing community.”

That is exactly what the Bill will probably lead to: by feeding into equality and human rights legislation, achieve a more consistent approach to improving access for BSL signers. It will also act as a flagship, a symbol, for BSL, make BSL more visible and raise awareness about the language and the people who sign it, just like this happened for Gaelic. Deaf people should not have to declare themselves disabled to exercise their right to linguistic access. It’s a right thing the Bill moves away from this model, and views BSL as a minority language. A lot will also depend on what exactly will be in the first National Plan, and the Authority Plans. Consultation with the Scottish Deaf community will be very important in this regard, and it is hoped that this consultation will happen through the establishment of a National Advisory Group with a majority of BSL signers in it.

The Bill is a first step. It does not confer any absolute rights on BSL signers or obligations on public authorities. The experience with language schemes in Ireland, Wales and Scotland (for Gaelic) have showed that there are several pitfalls to be avoided and that they can only be a useful tool for language planning under certain conditions. The Bill is thus a stepping stone towards improving services.

That is not to be underestimated. (Better) access to services can make a lot of difference to the daily lives of deaf people in Scotland. And that, after all, is what sign language legislation should aim to achieve: improve deaf people’s lives. Create the space for us to continue to use sign language, make the language important for our social and cultural capital. Scotland as a whole will be a better country for it.

Congratulations to the Scottish Deaf community and everyone involved!