Ik ben doof en wie mij kent, weet dat ik dat niet zie als een handicap. Ik ben doof, net zoals sommige lezers van dit blog horend zijn. Voor mij is dat bovenal een identiteit, een manier van leven ook. Een manier van in de wereld staan. Maar zeker geen handicap, of een beperking, of welk woord u er ook op wil plakken.
Het is een identiteit die zeker voor een deel wel bepaald wordt door een biologisch gegeven, namelijk: niet horen. Onlangs realiseerde ik me dat ik eigenlijk nooit besef dat ik doof ben, in de biologische zin van het woord, i.e. dat ik niet hoor. Mijn vader werkt voor de organisatie Koor & Stem, en organiseert daarvoor om de twee jaar een grote manifestatie, Koor van het Jaar. Ik had dat nog nooit meegemaakt, maar wou toch eens gaan, vooral om eens te zien waarmee mijn vader bezig is, en hem een plezier te doen, te steunen. De voorstelling zelf was voor mij niet zo boeiend natuurlijk (al zijn koren gelukkig niet meer wat ze waren en doen ze af en toe ook iets visueels!). Tijdens het laatste nummer zat ik als een klein kind op mijn stoel heen en weer te draaien en aan het programmaboekje te frommelen. Maar achteraf besefte ik: “he, dit is één van de momenten waarop ik besef dat ik niet hoor.” Raar, omdat ik al een paar jaar geen hoorapparaten draag en echt nul komma nul niks hoor, ik ben volledig doof. En toch, ik sta daar eigenlijk nooit bij stil dat ik niet hoor. Althans niet bewust. Het is wel zo dat ik werk binnen de Dovengemeenschap (een bewuste keuze), en dat ook in mijn privé-situatie mijn contacten bijna allemaal verlopen in gebarentaal. Ik word op mijn werk bijvoorbeeld (in tegenstelling tot veel andere doven) vrijwel nooit geconfronteerd met situaties waarin ik besef “he, ik hoor niet”. Als ik vergader samen met niet-gebarentalige horenden, of les moet geven aan niet-gebarentalige horenden (twee situaties die vaak voorkomen), dan schakel ik een tolk in. Niet alleen voor mij, ook voor hen.
Zo heel af en toe zijn er dan momenten dat ik wel besef dat ik niet hoor (zoals tijdens het kooroptreden van hierboven, of als ik treinproblemen heb zoals in het vorige stukje), maar dat gebeurt echt zelden en dat ben ik vijf minuten later alweer vergeten. Ik vind dat boeiend, zeker omdat horende mensen vaak denken dat wij in een “stille wereld” leven. Maar ik besef het gewoon niet. “Ah ja, da’s waar, ik hoor niet”, denk ik soms. Ik zou het bijna vergeten. (De wereld is niet stil trouwens. De wereld maakt geluid -soms veel lawaai- door wat ik zie en wat er beweegt.)
Waar ik mij wel altijd bewust van ben, is dat ik doof ben, in de culturele zin van het woord (Doof met een hoofdletter, zoals soms geschreven wordt). In de zin van identiteit, dus. Mijn vriend is horend, dus ik heb zelf een “interculturele relatie”, zoals je dat zou kunnen zeggen. Ik had het er onlangs over met een Deense vriendin (sterk cultureel doof) die ook samen is met een horende man. “Hij ziet mij graag om wie ik ben”, zei ze, “niet omdat ik doof ben. Voor hem ben ik wie ik ben, en toevallig ook doof. Maar ik besef wel 24u op 24 dat ik doof bent, hij beseft niet 24u op 24 dat hij horend is. Het is maar door met mij samen te zijn, dat hij ook die identiteit ‘horend’ heeft gekregen. Maar hij draagt die niet op dezelfde manier als ik.”
De auteur Dirksen Bauman schreef eerder al eens in een artikel dat hij er vroeger nooit bij stilgestaan had dat hij “horend” was, maar dat hij maar door met doven om te gaan, en in Gallaudet te gaan werken, besefte dat hij horend was, omdat hij dat label kreeg: “horend”. Of het echt een identiteit is, weet ik niet, volgens mij is het eerder een label of iets dergelijks. Ik denk niet dat horende mensen hun identiteit verlenen aan het feit dat ze horend zijn (terwijl doven wel -een kleiner of groter deel van- hun identiteit verlenen aan het feit dat ze doof zijn, omdat we een minderheidsgroep zijn). Misschien is het wel een identiteit voor sommige horende mensen die samenzijn met een dove persoon, of voor CODA’s. Of voor andere horende mensen die intensief contact hebben met doven. En misschien hebben ze die identiteit enkel in de dovenwereld, maar daarbuiten niet. Terwijl dove mensen die identiteit altijd en overal meenemen, het intrinsiek deel uitmaakt van wie we zijn en wat we doen, en hoe we het doen.
Boeiend vind ik dat.